Natuurtuin 'De Veenmol'

Website is vormgegeven door Wellantcollege.

7. Knotwilgen.

Knotwilgen (of knoten!) zijn beeldbepalend in het Nederlandse landschap  in polders langs wegen en sloten. De reden dat ze worden aangeplant is dat ze bescherming geven tegen de wind.

Een knotwilg is een wilg die enkele jaren na te zijn geplant op circa 2 m hoogte werd afgezaagd. Daarna wordt de boom iedere 2-3 jaar geknot door de nieuw uitgelopen takken weg te nemen. De verdikking aan de basis van de uitlopers vormt de knot waaraan de knotwilg z'n naam dankt. Aanplantingen waar de wilg op maximaal 50 cm hoogte geknot is worden grienden genoemd.

De productie van wilgentenen werd op de grienden die vaak buitendijks aan de grote rivieren waren gelegen op grote schaal uitgevoerd. Deze wilgentenen zijn de dunne takken van de katwilg. Tegenwoordig is de vraag ernaar sterk afgenomen. Om de karakteristieke door de mens gevormde wilgen voor het landschap te behouden dienen ze met regelmaat te worden geknot, dit gebeurt nu vaak door vrijwilligers.

In de humusrijke knot van oudere bomen broeden soms eenden en kunnen ook planten groeien. Een knotwilg kan zo'n vijftig jaar oud worden.

Niet alleen wilgen werden als knotboom ingezet. Men gebruikte onder andere ook de es, de populier en de zomereik als knotboom.

Knotwilgen moeten maximaal om de 3 jaar geknot worden. Anders worden de stammen op de knot te zwaar en kan hij door de wind afbreken. Des te vaker de knotwilg wordt geknot, des te meer volume krijgt de boom door de vele jonge twijgen. Op oudere leeftijd vormen in de stam diepe groeven, wat een oud en grillig effect geeft.

Een belangrijk bestanddeel van aspirine - salicylzuur – wordt gewonnen uit de wilg.