Natuurtuin 'De Veenmol'

Website is vormgegeven door Wellantcollege.

2. Paddenpoel.

Deze paddenpoel ligt minimaal 15 meter af van hoog opgaande begroeiing en in de directe omgeving van een houtwal, een akker en een moeras. De poel is 1 meter diep op het diepste punt en heeft een doorsnede van 20 meter. Het talud heeft een hellingshoek van 20 graden. Hierdoor zijn de omstandigheden geschikt voor de voortplanting van kikkers, padden en watersalamanders. Ook voor sommige andere dieren zoals libellen zijn een poel een geschikte leefomgeving.

De meeste amfibieen overwinteren niet in een poel maar onder boomstronken of houtstapels, in de strooisel laag, in holen en gaten in de grond of in kelders.

 Zodra temperatuur enluchtvochtigheid in het voorjaar gedurende enige tijd boven een bepaald minimum stijgen komen de dieren tevoorschijn en begeven zich naar een nabijgelegen poel of ander water om zich voort te planten. Dit noemt men de amfibieëntrek. Salamanders zijn het eerst, daarna volgt massaal de gewone pad. De maximale trekafstand is ongeveer 1500 meter. Er wordt wel gezegd dat de dieren naar hun geboortewater teruggaan, maar dat is lang niet zeker.

Een gevarieerde kruidlaag rond het water met nectarplanten is belangrijk omdat ze insecten aantrekt die als voedsel kunnen dienen voor de amfibieën. Een begroeiing met soorten als bies, gele lis en watermunt past goed bij een paddenpoel.

 Onderhoud, zoals het schonen om verlanding tegen te gaan, wordt in het najaar gedaan als zich geen amfibieën meer in de poel bevinden. Een deel van de poel wordt daarbij onberoerd gelaten. Vissen moeten uit de poel worden verwijderd omdat zij de amfibie larven opeten.