Natuurtuin 'De Veenmol'

Website is vormgegeven door Wellantcollege.

19. Reptielenhoop / Takkenril.

Broeihoop

De ringslang (Natrix natrix) is één van de drie slangensoorten in Nederland. Het is een ongevaarlijke, niet giftige, slang die voorkomt in gebieden met een gevarieerde begroeiing, natte ruigten en oeverzones. Dit heeft vooral te maken met het voedsel dat de slang verkiest. Jonge en volwassen slangen eten vooral kikkers en padden. Juveniele slangen (eerste jaar) eten kleinere prooien als insecten, wormen en slakjes, terwijl grote slangen nog wel eens muizen eten.

De ringslang maakt gebruik van de volgende habitats: overwinteringsplekken (zoals oude holen in dijken), foerageergebieden (oevers, plassen en poelen) en voorplantingsgebieden. Voor de voortplanting heeft de slang plekken nodig waar de temperatuur hoger is dan de omgevingstemperatuur (ca. 25-30ºC). In natuurlijke situaties zijn dit bijvoorbeeld plekken waar gras ophoopt (bijvoorbeeld in uiterwaarden), zich bladeren verzamelen (kuilen, greppels) en rottende boomstammen (onder schors). Daarnaast maakt de ringslang gebruik van mest- en composthopen. Echter deze laatste zijn de laatste tientallen jaren in aantal sterk afgenomen. Om de overlevingskansen van de ringslang in Nederland te vergroten kunnen hierom broeihopen worden aangelegd.

 Onder een broeihoop verstaan we een hoop organisch materiaal uit de directe omgeving, zoals maaisel, slootschoonmateriaal, bladeren of ander organisch materiaal, op een bed van takken.

Een broeihoop wordt aangelegd om te dienen als rust-, voortplantings- en/ of overwinteringsplek voor kleine zoogdieren, reptielen en amfibieën. In een broeihoop kunnen kleine zoogdieren schuilen, zoals muizen en wezels, en in de nabijheid van water ook amfibieën. In regio’s waar de ringslang voorkomt, kunnen in de zomer eieren van de ringslang en in de winter overwinterende exemplaren in de broeihoop worden aangetroffen.

Meest geschikte locatie is:

  • langs sloten: amfibieën en ringslangen kunnen zo’n hoop gemakkelijk vinden;
  • langs houtopstanden: kleine zoogdieren kunnen de hoop eenvoudig bereiken;
  • in een overhoek: de hoop ligt daar niet in de weg.

De reptielenhoop van de Natuurtuin ‘De Veenmol’ voldoet aan alle drie bovenstaande voorwaarden. Bovendien staat hij wat in de schaduw zodat de vochtigheid op peil blijft.

De basis bestaat uit takken en snoeihout. In lagen liggen hierop afwisselend maaisel, bladeren, takken en 3 kuub verse strorijke paardenmest op elkaar. De slootkant is zo afgegraven dat de oever heel geleidelijk overloopt in de sloot. Er mag niet teveel eiken- en beukenblad worden gebruikt, deze bladeren verteren slecht en bevatten veel looizuur. De hoop moet minimaal 1 meter hoog, 2 meter breed en twee meter lang zijn om voldoende warmte vast te kunnen houden.






Onderhoud de broeihoop:

Door compostering verdwijnt de broeihoop langzaam. Deze compost is goed voor de bloemen- of groentetuin. De hoop moet dus regelmatig worden aangevuld of na enkele jaren worden vernieuwd.

De plaats van de broeihoop moet altijd op dezelfde plek blijven omdat dieren zich gaan richten op de aanwezigheid van de hoop. Het aanleggen van een broeihoop dient voor mei/juni te gebeuren, omdat vrouwelijke dieren in deze periode geschikte broedplekken zoeken.

De temperatuur in de hoop dient constant rond de 25 tot 30°C te zijn en de hoop moet voldoende vochtig zijn. Om de broei goed op gang te brengen kunnen een paar emmers water op de broeihoop worden gebracht. Ook in droge perioden kunnen enkele emmers voldoende zijn om de broei op gang te houden.

Naast het aanvullen van de oude hoop kan er ook worden gekozen om de broeihoop om te zetten. Het omzetten van de broeihopen gebeurt bij voorkeur in het vroege voorjaar (eind maart-begin april). De broeihopen worden voorzichtig afgegraven, waarbij goed gezocht wordt naar eischalen (eidoppen). De eitjes worden meestal op een diepte tussen 20 en 60 cm diep afgezet. Indien mogelijk wordt hierbij ook het aantal eiklompen vastgesteld (dit is een nauwkeurigere maat voor het aantal vrouwtjes dat eieren heeft gelegd). Daarna wordt de nieuwe hoop opgebouwd met de takken uit de oude hoop, het oude hoopmateriaal, het nieuw aangevoerde bladmateriaal en paardenmest, zoals hierboven beschreven.

Takkenril

Hier is een vochtige en schaduwrijke plek gemaakt. De palen zijn ingegraven en blijven daardoor langer vochtig. Ook is de standplaats niet zo zonnig.

Na een aantal jaren zullen de palen grotendeels zijn aangevreten en verteerd. De takkenbossen ondergaan hetzelfde lot, maar die kunnen eenvoudig worden aangevuld met nieuw snoeihout.

Allerlei houtinsecten, pissebedden, oorwurmen, duizendpoten, miljoenpoten, spinnen en slakjes vinden hier een plek om zich te verschuilen, voedsel te zoeken en te nestelen.

Zo’n palen-snoeihoek is ook een aantrekkelijke rust-, voedsel- en nestelplek voor allerlei vogels zoals roodborsten, winterkoninkjes en heggemussen.

Amfibieën en reptielen verschuilen zich graag in dit soort vochtige hoekjes. Op het hout groeien diverse soorten paddenstoelen.