Natuurtuin 'De Veenmol'

Website is vormgegeven door Wellantcollege.

18. Boomgaard / Fruittuin.

Deze boomgaard  in aanleg bestaat uit de hoogstam vruchtbomen peer, appel, pruim en kers, maar ook een walnotenboom.

Huis- en boerenboomgaarden komen overal in het land voor, maar vooral in het rivieren- en veenweidegebied. Al vanaf de middeleeuwen oogsten mensen voor eigen gebruik fruit uit boomgaarden. Een huisboomgaard onderscheidt zich van een productieboomgaard door de kleinere omvang.

In een huisboomgaard kunnen grotere zoogdieren zoals marter en egel voedsel zoeken en schuilen. Ook kleinere zoogdieren, onder andere bosmuis, huismuis en bosspitsmuis, zijn er aan te treffen. Vlinders als landkaartje, atalanta en dagpauwoog zoeken graag voedsel in boomgaarden. Ze vinden er vaak waardplanten waarop ze eitjes afzetten. In het voorjaar trekt de bloesem insecten aan zoals hommels, bijen en zweefvliegen.

Onder de fruitbomen groeien grassen. Merel en zanglijster zoeken er naar wormen. In de randen van de boomgaard komen bloeiende, hoog opgaande kruiden voor zoals de grote klis, fluitenkruid en wilde kaardenbol. Deze bieden voedsel aan allerlei insecten, zoals zweefvliegen.

In de boomgaard zijn drie elementen te onderscheiden: het bomenbestand, de ondergroei en een haag.

De bomen staan 5 tot 10 meter uit elkaar zodat ze voldoende kunnen uitgroeien.

De rand is beplant met een windkering (houtwal). In deze net aangeplante boomgaard zijn nog geen holen aanwezig voor holenbroeders, zoals koolmees en steenuil. Hierom hangen er hier verschillende nestkasten.

Rond de voet van alle vruchtbomen is een beplantingsvrije ruimte van 1 meter in doorsnede, de zogenaamde boomspiegel. Hierdoor blijft de bodem van boven toegankelijk voor lucht en water. Dit is alleen in de eerste 3 tot 4 jaren nodig, zodat de kruin flink kan groeien en de jonge boom zich tegen de groene concurrenten kan verzetten. Na 4 jaar heeft de fruitboom voldoende wortels en heeft een boomspiegel geen effect meer.